|
LEVEN NA DE DOOD?
Als wij de toestand van de doden willen begrijpen, moeten we eerst de oorsprong van de schepping van de mens.
Genesis 2:7 “Toen formeerde de Here God de mens van stof uit de aardbodem en blies de levensadem in zijn neus; alzo werd de mens tot een levend wezen”. (Staten vertaling: “tot een levende ziel”)
Dit betekent:
Stof + levensadem = levende ziel.
De levende ziel is de persoon zelf, want dat is wat God heeft geschapen. Op verscheidene plaatsen in de Bijbel wordt de mens ziel genoemd (Ezechiël 18:4; 20) Het begrip ziel kan zowel worden begrepen als een aanduiding van een categorie (de mens) maar het onvermijdelijk gevolg is ook, dat elke ziel een eigen identiteit heeft.
De ziel is de samenvoeging van twee elementen, namelijk stof en adem; en de ziel vormt op zich geen zelfstandige factorstaat. Gelijk water uit waterstof en uurstof bestaat, en het licht uit de verbinding van gloeilamp plus stroom, zo is de mens het gevolg van de combinatie van twee elementen.
De ziel van elk individu bestaat weer uit: intellect, gevoelens en wil de belangrijkste delen zijn. Zonder deze drie elementen kan iemand geen persoonlijkheid zijn.
De bevoegdheid om te denken, redeneren, bewerken zijn kenmerken van de ziel, evenals beslissen, voelen, haten, liefhebben, etc.
Wanneer iemand dood gaat...
Prediker 12:7: “en het stof wederkeert tot de aarde, zoals het geweest is, en de geest wederkeert tot God, die hem geschonken heeft.”
Als mens hebben we twee gezichten: het éne is lichamelijk en de andere geestelijk. Met ons lichaam hebben we gemeenschap met de wereld, de fysieke wereld, terwijl wij met onze geest, gemeenschap kunnen hebben met de geestelijke wereld. Zowel het lichaam als de geest zijn kanalen waarmee de ziel beïnvloed of wordt beïnvloed door de buiten wereld. De geest is tot stand gekomen van de levensadem evenals het lichaam uit het stof. Daarom zullen op het moment van de dood, beide wederkeren in de oorspronkelijke plaats.
Wij kunnen onze geest gebruiken om met God gemeenschap te hebben of met Satan en zijn koninkrijk, omdat zij tot de geestelijke wezens behoren.
Prediker 3:20 – “alles gaat naar één plaats, alles is geworden uit stof, en alles keert weder tot stof”
Stof – levensadem (of geest) = Dood (De ziel bestaat niet meer)
De gevoelens, redenering, denken, wil, etc. zitten niet in de geest maar in de ziel, daarom zien we het volgende:
Prediker 9:5-6: “De levenden weten tenminste, dat zij sterven moeten, maar de doden weten niets; zij hebben geen loon meer te wachten, zelfs hun nagedachtenis is vergeten. Zowel hun liefde als hun haat en hun naijver zijn reeds lang vergaan; en zij hebben nimmer deel aan iets, dat onder de zon geschiedt”
Aanvullende teksten over de dood
De doden gaan niet naar de hemel: Psalm 115:17: “Niet de doden zullen de Here loven, niemand van wie in de stilte zijn neergedaald”
Psalm 30:10: “...kan het stof U loven, kan dat uw trouw vermelden?”
Jesaja 38:18: “Want het dodenrijk looft U niet, de dood prijst U niet; wie in de groeve zijn neergedaald, hopen niet op uw trouw”.
Psalm 88:11: “Zult Gij aan de doden een wonder doen; zullen schimmen opstaan en U loven? Wordt in het graf uw goedertierenheid verkondigd, uw trouw in de plaats der vertering?”
De doden weten niets: Job 14:21: “zijn zonen mogen tot ere komen, maar hij weet het niet; of komen zij tot lage staat, hij bemerkt niets van hen”.
De toestand van de doden is net als de slaap. De doden zullen op de dag van de wederkomst van Christus opstaan.
Job 14:10: “maar wanneer een man sterft, dan ligt hij krachteloos neer; geeft een mens de geest, waar is hij gebleven? Zoals water verdampt uit een meer en een rivier verloopt en uitdroogt, zo legt een mens zich neer en staat niet weer op; totdat de hemelen niet meer zijn, ontwaken zij niet en worden niet wakker uit hun slaap”
Psalm 13:4: “Aanschouw toch, antwoord mij, Here, mijn God! Verlicht mijn ogen, opdat ik niet inslape ten dode;”
Matteüs 27:52: “en de graven gingen open en vele lichamen der ontslapen heiligen werden opgewekt”
Johannes 11:11: “Zo sprak Hij en daarna zeide Hij tot hen: Lazarus, onze vriend, is ingeslapen, maar ik ga daarheen om hem uit de slaap te wekken.”
Psalm. 146:4: “gaat zijn adem uit, dan keert hij weder tot zijn aarde, te dien dage vergaan zijn plannen.”
God waarschuwt ons tegen spiritisme of het praten met de doden. Deuteronomium 18:9-12. “Onder u zal er niemand worden aangetroffen, die zijn zoon of zijn dochter door het vuur doet gaan, die waarzeggerij pleegt, geen wichelaar, uitlegger van voortekenen, of tovenaar, geen bezweerder, niemand, die de geest van een dode of een waarzeggende geest ondervraagt of die de doden raadpleegt. Want ieder die deze dingen doet, is de Here een gruwel, en ter wille van deze gruwelen drijft de Here, uw God, hen voor u weg.”
De doden weten niets, dus, gemeenschap hebben met de doden is in feite gemeenschap hebben met duivels. Dit is spiritisme. 1 Timoteüs 4:1: “Maar de Geest zegt nadrukkelijk, dat in latere tijden sommigen zullen afvallen van het geloof, doordat zij daalgeesten en leringen van boze geesten volgen.”
Samenvatting
- De ziel is niet eeuwig
- De ziel is het gevolg van de samenvoeging van de levensadem en het stof
- Na de dood, de ziel bestaat gewoon niet meer
- De ziel zweeft niet over de aarde na de dood
- De geest heeft geen vermogen om te denken, voelen, beslissen. Het is deel van de persoon wanneer hij in leven is.
- Wanneer iemand dood is, gaat noch naar hemel noch naar hel. Hij is inslaap, en zal opgewekt worden op een latere dag.
- Het praten met de doden, of geloven dat de doden leven en kunnen praten is een leer van de duivel.
Volgende studie: Hel deel 1

|